23 Enero, Venezuela

Tijd voor verandering

Sinds een week ben ik weer in Caracas. Het went snel. Ook dat er alleen water is van 06.00 tot 07.00 uur. Door het regelmatig uitvallen van de stroom en de spanningspieken sneuvelt er wel eens een elektrisch apparaat. Deze keer is het de pomp. Lampen zijn haast niet aan te slepen. Hier zeker niet.

Wanneer veranderd er nou eens wat?

"Denk eraan: op de 23e wil ik een selfie van jou tijdens de mars", herhaalt Juan voor de derde keer. Hij stopt het gereedschap terug in zijn kist. De nieuwe waterpomp doet het. Hij zucht omdat hij zelf de rommel op moet ruimen. José, zijn rechterhand, zocht in Colombia een beter leven. “Hij zou hier moeten blijven en vechten voor zijn land. Goed opgeleid personeel is moeilijk te vinden”.

Juan is 53. De Venezolaanse loodgieter praat Engels met een Londons accent. Hij zoekt lang naar zijn woorden. Hij woonde en werkte jarenlang in Engeland, maar kwam terug naar zijn vaderland. “Tja, de vrouwen hier”, zijn ogen lichten even op, “en onze stranden. In Engeland had ik twee banen en een goed inkomen, maar ik miste mijn land”.

“Nu werk ik drie keer zo veel en kan mijn medicijnen niet meer betalen”.

Om zijn verhaal kracht bij te zetten tilt hij zijn T-shirt op. Zijn rug lijkt wel een maanlandschap. Grote schilferige plekken op een roze huid die normaal lichtbruin hoort te zijn. Hij haalt zijn schouders op.

Er hangt iets in de lucht.

Morgen, de 23ste, wordt in het hele land gedemonstreerd tegen de regering van Maduro. Lange tijd was het vrij rustig. Nu hoor ik van vrienden en buren dat ze meelopen. Het zijn niet alleen meer studenten. Bij de kapsalon is dit het gesprek van de dag. Het is druk. Zoals altijd.

“Het kan zo niet langer”, zegt Maria.

Mijn kapster is rond de vijftig en heeft een figuur van een jonge meid. “Ik ging ieder jaar naar familie in Rome, dat zit er nu niet meer in”. Ze hoopt op verandering en daarom loopt ze mee. Maria gaat er van uit dat ik ook ga. Ze raadt me aan sober gekleed te gaan. Zonder tas. Ze houdt een spiegel achter mijn hoofd om mij het resultaat te laten zien. “Als je haar maar goed zit” zegt ze. Net als dat van haar, al zijn de kleren die ze draagt te ruim geworden.

Als ik terug loop naar de auto is het rustig. Te rustig. Of verbeeld ik het me maar?
Nu het donker is hoor ik in de verte mensen tegen potten en pannen slaan. Bij vlagen hoor ik ook stemmen en toeters.

Dan denk ik opeens aan mijn dochter in India. Ze vindt het geen fijn gevoel, al die spanningen hier. "Je blijft toch wel binnen hé mam? Het is niet jouw land en je weet niet wat er allemaal gebeuren kan. Denk aan die doden tijdens de protesten vorig jaar”. Ze heeft een punt. Daar denk ik zeker aan.
Het kan zo echt niet langer.